Het is negen uur en ik loop met oudste door het winkelcentrum.
De laatste boodschappen zijn gedaan en we hoeven alleen nog maar even langs de polier om de kalkoen voor eerste kerstdag op te halen.
‘Als het net zo gladjes verloopt als bij de supermarkt zijn we in een mum van tijd weer thuis,’ grijnzen we elkaar toe.
Als we de hoek omlopen slaat de schrik me echter om het hart.
Het lijkt wel een opstootje! Of een groep hangouderen waar je het liefst met een grote boog omhoog wilt lopen.
Versteend aanschouw ik de massa van afstand. Snel tel ik vijf rollators, drie buggy’s zonder bijbehorend grut, een aantal vaders met blèrende kinderen onder de arm, verschillende hoedjes waar de gelaten uitdrukking van 80-plussers onder zichtbaar zijn en veel, héél veel vrouwen die met rode blossen verwilderd op allerlei boodschappen-briefjes staan te kijken en strepen.
Voorzichtig loop ik naar de nummertjesautomaat en met mijn ogen stijf dicht trek ik een nummertje.
88.
Tussen mijn wimpers door gluur ik naar het bord waar het rode cijfer 56 me stralend tegemoet schijnt.
56.
Ik heb nog wel even te gaan, vermoed ik.
Met een kreun laat ik me op de bank vallen achterin de winkel.
De vrouw naast me grijnst me tegemoet.
‘Ook de klos?’ vraagt ze me.
Ik knik. ‘Ja, jij ook zo te zien,’ wijs ik naar haar afhaalstrookje die ze in haar linkerhand geklemd houdt. ‘Ach, thuis zit mijn vriend met drie gillende kinderen, waarvan er ook nog één de waterpokken heeft. Ik weet niet wie beter af is. Hij of ik.’ Ze lacht en gaat nog eens lekker achterover zitten. ‘Ik zit voorlopig even rustig. Dat kan hij niet zeggen, denk ik.’ Ze knipoogt en ik knik begrijpend.
Daar valt wat voor te zeggen.
Niet veel later springt ze op. ‘Mijn nummertje,’ roept ze en ze snelt naar de toonbank. Als ze de winkel verlaat groet ze en ik wens haar fijne dagen toe met lief spelende kinderen.
De vrouw die naast me haar plek heeft ingenomen lacht.
‘Kleine kinderen nog,’ begrijpt ze. Ik knik. ‘Waarvan één met waterpokken,’ zeg ik.
‘O mijn hemel. Lekker met de kerst,’ kreunt ze.
Samen zitten we naar de drukte te kijken.
Ik zie de poelier achter de toonbank heen en weer rennen, terwijl hij in zijn loopje verschillende grillen uitzet.
‘Die is vanavond kapot,’ zegt de vrouw naast me somber. ‘Ik ken het gevoel.’
Vragend kijk ik haar aan.
‘In mijn studententijd werkte ik bij een groenteboer. Tijdens de feestdagen stonden we om vier uur al groenten en fruit te sorteren. Tegen de tijd dat de eerste klant kwam had ik het gevoel dat ik er al een halve werkdag op had zitten. Nee, dan is het hier zo op de bank best vertoeven.’
Ik denk aan jongste die op dat moment bij de bakker aan het werk is en eventjes voel ik mijn voeten prikken. Ze zal kapot zijn vanavond!
Mijn buurvrouw zakt iets verder onderuit en zucht tevreden.
‘Dit is echt veel beter,’ knikt ze.
Ik begin me zowaar wat te ontspannen. Wachten is niet zo heel erg als je leuk gezelschap hebt.
Dan klinkt er wat rumoer bij de kassa. Een vrouw graait zenuwachtig in haar jaszakken en ik begrijp dat ze te weinig geld bij zich heeft.
Zakken worden omgedraaid, tassen tot op de bodem bevoeld en ik zie dat een meneer naast haar zijn portemonnee trekt en drie euro op de toonbank legt.
‘Zo, precies genoeg volgens mij,’ knikt hij en hij schuift het geld bij de munten van de vrouw. Een stralende lach komt hem toe en ik zie hoe de vrouw hem in zijn arm knijpt. Haar magere gezicht zonder make-up kijkt hem dankbaar aan.
‘Ik had me nog zo voorgenomen om zuinig aan te doen,’ verduidelijkt ze. ‘Niet gelukt dus.’ De man lacht haar vriendelijk toe en zegt simpel: ‘Geniet ervan, vrouwtje. Fijne dagen!’
De nummertjes volgen elkaar ineens razendsnel op en ik vind het bijna jammer als ik aan de beurt ben.
Om 10 uur stappen oudste en ik in de auto.
‘Wat een gekkenhuis, zeg. Vreselijk.’ zegt hij uit de grond van zijn hart. ‘Ik ben blij dat we bijna thuis zijn!’
Ik knik. Een mens kan van minder doordraaien inderdaad.
Maar gek genoeg had ik dit laatste uur niet willen missen deze dag…
Vind ik leuk:
Één blogger vindt deze post leuk.